MIJN VLUCHT – Liveblog Hugo de Groot

Hieronder heet van de naald de belevenissen van Hugo tijdens zijn vlucht van Loevestein naar Antwerpen, opgetekend door hemzelf. Het laatste nieuws staat telkens bovenaan. De teksten worden door Hugo in het Latijn aangeleverd en worden door de redactie in een ijltempo vertaald in modern Nederlands. Hier en daar blijft er door de haast misschien een flard Latijn hangen. We hopen niettemin dat de lezer het kan volgen.

 

Antwerpen, dinsdag 23 maart 1621, 12:45 uur.

Het is gelukt. Ik ben aangekomen in het huis van mijn vriend, de remonstrantse dominee Nicolaas Grevinkhoven in Antwerpen. We stonden bij hem aan de deur en op ons kloppen werd opengedaan door de dochter des huizes. Ik verzocht haar of ik haar vader kon spreken. ‘Vader, er vragen twee metselaars naar u’, riep zij naar binnen. ‘Laat ze even wachten’, antwoordde de predikant. Hij was juist bezig een kruidendrank voor zijn zieke echtgenote te bereiden. ‘Zeg maar dat het Grotius is’ zei ik. Toen Grevinkhoven dat hoorde, liet hij het drankje staan en vloog naar de hal. Mevrouw Grevinkhoven, zo ziek als ze was, stond op. Ze gunde zichzelf geen tijd om iets aan haar voeten te doen en kwam blootsvoets naar mij toe om me te omhelzen. Tranen liepen over onze wangen.

Ik mag hier voorlopig blijven.

Vanmiddag rust ik uit. Daarna ga ik brieven schrijven. De eerste brief gaat via vertrouwde kanalen naar Maria, die nog in Loevestein zit. Ik wil haar hierheen halen, of naar Parijs, mijn eerstvolgende reisdoel. Om dat mogelijk te maken zal ik ook Maurits moeten schrijven. Ik ben benieuwd of ik hem kan vermurwen Maria en de kinderen te laten gaan. Ik heb gehoord dat het hem slecht vergaat omdat hij wroeging heeft over de terechtstelling van Oldenbarnevelt. Misschien is hij bereid tot een gebaar, maar hem kennende zal hij tegenover de buitenwereld zijn gezicht niet willen verliezen.

Grevinkhoven zal de bekende courantier Abraham Verhoeven hier in Antwerpen verwittigen van mijn vlucht en hem uitnodigen het verhaal uit mijn mond te komen optekenen.

Ik kijk ernaar uit. Europa zal versteld staan!

 

Hugo

 

Post Scriptum.

Lectori Salutem,

Dit was het laatste bericht over mijn wonderbaarlijke vlucht dat ik jullie, 21e-eeuwers, heb toegezonden. Ik ben jullie oprecht erkentelijk voor de belangstelling en de aandacht. In het bijzonder dank ik de redactie van het naar mij genoemde pad voor het beschikbaar stellen van de tijdmachine waarmee dit mogelijk werd. Ik moet bekennen dat ik niet begrijp hoe die werkt: ik moet dat binnenkort eens onderzoeken. Misschien zal dan blijken dat het allemaal maar is verzonnen. Misschien bevind ik me, net als in de voorbije nacht in een kleine lichtcirkel die zich voortbeweegt door de tijd en verdwijnen mijn boodschappen in het grote zwarte gat om mij heen. Alleen jullie kunnen vaststellen of mijn verhaal ter bestemder plaatse is aangekomen.

Vaarwel!

Jullie,

 

Hugo

 

De Locht, dinsdag 23 maart, 8:30 uur.

We zijn in een herberg, de Broeiganshoeve in De Locht, en de geur van gebakken eieren met spek dringt in mijn neusgaten. Er is sinds vannacht een en ander gebeurd. Na Loveren ben ik op de kar af en toe in slaap gesukkeld, wat na zo’n vermoeiende dag natuurlijk geen wonder is, maar de hobbelige weg zorgde ervoor dat ik telkens weer wakker werd geschud. Dan zag ik alleen maar onze eigen verlichte cirkel en de weg die zich onder ons naar achteren bewoog. Buiten de lichtcirkel louter duisternis. In Hoogstraten, een stadje zonder ommuring, was er voor het eerst iets te zien door de ochtendschemering en de schaarse verlichting in woningen waar mensen vroeg opstonden. Er stond een enorm hoge kerktoren waar we langs reden. Het viel op dat de hoofdstraat met keien was bestraat, wat we nog nergens waren tegengekomen. Maar het geratel van de wielen van onze kar viel niet op, want er was al wat meer verkeer.

Daarna reden we naar Sint-Lenaarts, waar ook al een kerk met een opvallend hoge toren stond. Even buiten dat dorp kreeg ik de schrik van mijn leven. Net nu ik begon te denken dat ik mijn vlucht ongemerkt ging afmaken, kwam ons in de verte een groep bewapende ruiters tegemoet. Het was mijn bedoeling om tot in Antwerpen niet te worden ontdekt, zodat ik daar de wereld kond zou kunnen doen van mijn wonderbaarlijke ontsnapping. Ik ga er tenminste van uit dat ze ook in Loevestein nog steeds geen weet hebben van wat zich afspeelt door de list met de kaars die ik met Maria heb afgesproken. Maar nu dreigde dat toch allemaal anders te lopen. Wat zouden soldaten van de Spaanse Nederlanden vinden van een calvinist uit het noorden die bij nacht en ontij vermomd de grens over komt? En wat als ze zouden ontdekken dat ik Hugo de Groot ben? De remonstranten hebben weliswaar asiel in Waalwijk en Antwerpen, maar niet iedereen hier is daar blij mee en als protestant in paaps gebied word je toch al gauw als ongewenst vreemdeling beschouwd.

We werden aangehouden. Paspoortcontrole. Ik had de tegenwoordigheid van geest om eerst te vragen wie ik wel voor me had. Het waren soldaten van de Roode Roede, een corps van veldwachters die de wijde omgeving van Antwerpen moeten vrijwaren van gespuis. Ik vroeg beleefd of ik hun commandant kon spreken. Gelukkig was de soldaat die ik tegenover me had gewillig. Hij zou ons erheen brengen. De commandant houdt doorgaans hier zitting, in de Broeiganshoeve waar we ons nu bevinden.

De commandant vroeg me om me te legitimeren. Nu haalde ik mijn paspoort uit mijn  schoen, waar ik het de hele reis bij me had gedragen. Terwijl ik het overhandigde vroeg ik om bescherming. De commandant viel bijna van zijn stoel van verbazing toen hij las wie hij voor zich had: Hugo Grotius, de grote staatsman en geleerde! Ik vertelde hem van mijn ontsnapping. Hij was vol bewondering. Hij bood me bescherming aan, en nu zitten we hier te wachten op ons ontbijt en op de paarden die hij voor ons laat halen. Mijn begeleider en ik zullen straks als ruiters verder reizen, weliswaar in onze metselaarspakken, maar comfortabel en veilig. Want we krijgen ook nog tot Antwerpen een escorte van een van zijn manschappen mee.

Wat een schitterende wending heeft mijn vlucht nu genomen!

 

Hugo

 

Baarle-Loveren, dinsdag 23 maart 1621, 02:00 uur.

We doorkruisen vanaf een punt halverwege Riel en Alphen tot Baarlebrug een stuk Staats gebied. Volgens de voerman is dat geen probleem. Hij zegt dat iedereen zo rijdt en dat het hier veilig is sinds twaalf jaar geleden het bestand is ingegaan. Deze route – onderdeel van de eeuwenoude Hanzeroute via ‘s-Hertogenbosch naar Antwerpen – wordt redelijk goed onderhouden en heeft voorzieningen zoals uitspanningen en herbergen. Wie hier Staats gebied wil vermijden, zou vanuit Tilburg over Turnhout moeten omrijden, en dat is qua wegdek en voorzieningen een onaantrekkelijk alternatief.

Rondom Baarle liggen allerlei snippers Staats en Spaans gebied door elkaar. Dat heeft in het begin van de oorlog veel lokale conflicten uitgelokt, maar sinds het bestand van 1609 heeft men hier een modus vivendi gevonden. Militair vertoon wordt door beide partijen zoveel mogelijk op afstand gehouden. De kans dat we hier door milities worden aangehouden is dan ook nagenoeg nihil. Bovendien worden we beschermd door de duisternis. Geen ruiter waagt zich in deze stikdonkere nacht.

We komen iets voorbij Baarle door Loveren, dat op een knooppunt van wegen ligt. Hier bevinden zich enkele herbergen, maar in dit nachtelijke uur is het er stil en zien we er geen licht meer branden. We vervolgen onze weg tussen het versnipperde gebied richting Hoogstraten, waar alles weer Spaans gebied is.

 

Hugo

 

Tilburg, maandag 22 maart 1621, 20:45 uur.

Ik sta hier in een hoekje van een overvolle herberg in het Brabantse dorp Tilburg. De voerman legde hier zonder enig overleg aan. Waarschijnlijk is dit een stamkroeg langs zijn route naar Antwerpen, want hij werd door bijna iedereen in een nogal merkwaardig taaltje begroet. ‘Heej!’ klonk het van alle kanten. Intussen heb ik ook klanten zien vertrekken. Men nam afscheid met ‘Haawdoe’. Een enkeling was wat langer van stof. Dan was het: ‘Alleej, haawdoe’ en één keer hoorde ik zelfs : ‘Alleej, haawdoe, salu war’ of klanken van gelijke strekking. Tegen mij zegt niemand wat. Misschien maar goed ook, want hoe zou ik me in dit koeterwaals moeten uitdrukken? De voerman staat nu een eindje verderop bij een groepje waar men elkaar hard op de schouders slaat en waar met tussenpozen wordt geschaterd van het lachen. Af en toe wordt er naar mij gekeken. Volgens mij zien ze dat ik verkleed ben.

Mijn gids heeft zo te zien geen moeite zich verstaanbaar te maken in de streektaal. Hij staat aan de toog om twee dagschotels te bestellen. We hebben afgesproken dat hij bestelt en dat ik betaal. Dat leek me de meest passende en makkelijke rolverdeling, maar bij nader inzien verwacht ik ook bij het afrekenen problemen. Mevrouw Daatselaer heeft me in Gorinchem een beurs met Spaans-Nederlands geld meegegeven. Ik heb de munten zojuist door mijn handen laten gaan, maar veel herken ik er niet van.

De reis vanaf Waalwijk is zonder problemen verlopen. Toen het eenmaal donker was, begreep ik het belang van de lantaarn die de voerman bij zich heeft. Soms kom je een paar mijl lang geen bewoning tegen en dan is het om ons heen aardedonker. We gaan dan als een soort verlichte cirkel stapvoets door de pikzwarte nacht. Straks als iedereen naar bed is en wij doorrijden, zullen we langs de weg helemaal geen verlichting meer tegenkomen.

Mijn reisgezel komt er weer aan. Ik ga eens even raad vragen over mijn muntvoorraad.

 

Hugo

 

Waalwijk, maandag 22 maart 1621, 17:45 uur.

De predikanten hebben mij gastvrij ontvangen. Het was een grote verrassing dat ik plotseling voor hun neus stond. Ze waren meteen in touw om me van dienst te zijn. Ik kreeg een maaltijd en een bed voor een hazenslaapje. Het zal in ieder geval iets helpen om de nacht straks goed door te komen. Omdat het vlakbij de Staatse grens toch nog gevaarlijk is, zal ik vannacht nog in een kar naar Antwerpen worden gebracht.

Als het goed is, wordt mijn ontsnapping in Loevestein voorlopig nog niet ontdekt. Ik heb namelijk met Maria afgesproken dat zij de kaars aansteekt en ’s avonds laat weer uitblaast, die ik altijd gebruik om bij te werken. Zo wordt mijn afwezigheid niet opgemerkt. Maar ja, als er iets misgaat, komen de soldaten van Maurits alsnog achter mij aan en dan durven ze gerust de grens bij Waalwijk te overschrijden om mij op te pakken.

Er is een voerman met een kar gevonden die me wil vervoeren. Aan hem hebben we wijsgemaakt dat ik een vermomde Hollander ben die op de vlucht is vanwege een faillissement. Voor hem kunnen we namelijk onmogelijk verborgen houden dat ik geen echte metselaar ben met mijn schrijvershanden en mijn beschaafde hooghollandse spraak.

Verder gaat Jan Lambertszoon terug naar Gorinchem, maar hij heeft hier een collega-metselaar gevonden die mij tot Antwerpen wil vergezellen. Hij gaat samen met mij in de kar. We vertrekken over een kwartiertje.

Van slapen zal niet veel terechtkomen, want het is de bedoeling om in één ruk door te rijden. Een voordeel is dat het waarschijnlijk een stikdonkere nacht wordt. Het is nieuwe maan en zwaarbewolkt. Dat betekent dat een eventuele achtervolging voor de ruiters van Maurits niet eenvoudig zal zijn.

 

Hugo

 

Drongelen, maandag 22 maart 1621, 16:00 uur.

Weer bevind ik me op een veerpont. Deze, tussen Drongelen op Staats gebied (Holland) en Waalwijk op Spaans gebied (Brabant), brengt me rechtstreeks in veiligheid. Toch heb ik een weemoedig gevoel. Omwille van mijn veiligheid moet ik de Republiek waarvoor ik heb gestreden en de reformatie waarvoor ik altijd pal heb gestaan, inruilen voor de bizarre wereld van het papisme. Gelukkig zijn de eersten waar ik straks aanklop mijn geloofsgenoten, de remonstrantse dominees. Toen Oldenbarnevelt twee jaar geleden werd onthoofd en ik gevangen werd genomen, werden zij naar Waalwijk verbannen als gevolg van de intolerante arrogantie van de Synode van Dordrecht en de machtshonger van Maurits.

Maar ik moet nu even opletten, want we landen aan.

Ik zet voet op Spaanse bodem…

Ik ben vrij!

Voorlopig althans.

 

Hugo

 

Land van Altena, maandag 22 maart 1621, 13:50 uur.

Jan Lambertszoon kende de weg! Jaja!

Niets klopte er van de route die hij had gekozen!

We kwamen voor een waterloop te staan waar we niet overheen konden, toen hij toegaf dat we waren verdwaald. Het kwam doordat hij altijd op de stand van de zon liep, zei hij, maar die ging nu achter een dik wolkendek schuil. Ik wond me natuurlijk enorm op over zijn betweterige zelfoverschatting, maar toch slikte ik mijn boosheid maar gauw in, want zelf zou ik helemaal niet weten welke kant ik uit zou moeten. Daar was hij nou juist voor meegegaan.

We zijn maar weer helemaal teruggelopen naar een kruising waar we waren afgeslagen. Nu zitten we volgens Lambertszoon wel op de goede weg, want hij herkende zojuist een molen en een boerderij.

Gelukkig hebben we geen soldaten gezien, en hoe verder we in zuidoostelijke richting gaan, des te minder kans is daarop. De ambtenaren en soldaten van Oranje die tussen Gorinchem en Breda reizen, komen niet in die hoek: die nemen het veer tussen Dussen en Capelle aan de zuidwestelijke kant, waar ze op Staats gebied blijven.

 

Hugo

 

Merwede, maandag 22 maart 1621, 12:00 uur.

Er moest flink worden onderhandeld met de veerman. Die wilde vanwege de harde wind niet uitvaren naar Sleeuwijk aan de overkant van de Merwede. Maar nu zit ik dan toch op de pont die daarheen vaart laverend tegen de zuidwester in. Ik probeer niet te gaan vomeren. Als dat toch gebeurt moet ik het overboord doen, heeft de schipper me gewaarschuwd, want hij wil geen pollutio op zijn schip.

Dat hij toch is uitgevaren komt doordat mijn helper, metselaar Jan Lambertszoon, hem heeft wijsgemaakt, dat we in het Land van Altena op zoek gaan naar goede stenen voor een bouwproject en dat hij die zou mogen vervoeren als hij ons ter wille zou zijn. Ik moet even uitleggen, dat de familie Daatselaer mij in een (veel te krap) metselaarspak heeft gehesen, zodat ik kan doorgaan voor een knechtje van Jan Lambertszoon.

Als we aan de overkant zijn, gaan we te voet van noordwest naar zuidoost door het Land van Altena naar het veer over de Maas bij Drongelen. Aan de overkant van de Maas ligt Waalwijk, dat bij Brabant hoort. Het is een soort roomse landtong in het calvinistische Holland. Daar heeft Maurits niets te zeggen, al overschrijden zijn soldaten regelmatig ‘per incidentem’ de grens.

Jan Lambertszoon weet de weg in het Land van Altena, dus dat komt wel goed. En nu maar hopen dat we geen soldaten van Maurits tegenkomen die mij door mijn vermomming heen herkennen…

 

Hugo

 

Gorinchem, maandag 22 maart 1621, 11:00 uur.

Pfff.

Het is gelukt. Maar ik ben wel geradbraakt. Figuurlijk dan, want we moeten natuurlijk juist voorkomen dat ik word geradbraakt, gevierendeeld of onthoofd (grapje).

Ik zit nu bij de familie Daatselaer in het achterhuis in mijn onderbroek op de kist te wachten tot die beste mevrouw Daatselaer terugkomt om me kleren te geven.

Even een paar data.

Hic et nunc is het maandag. Ik heb ergens een boek waarin staat hoe ik moet uitrekenen op welke dag van de week 22 maart over 400 jaar valt, maar dat heb ik natuurlijk niet bij de hand. Het zou best leuk zijn als het bij jullie ook maandag is.

Hic et nunc is het jaarmarkt. Dat komt goed uit, want in de drukte kan ik makkelijker wegkomen.

Hic et nunc hebben we verder te maken met tempestas depressionis (buiig weer). Het waait erg hard. Op de boot werd ik misselijk van de deining. Ik hoorde Elsje waarschuwen dat de kist wel overboord kon slaan. Dat had ze natuurlijk beter niet kunnen zeggen, want ik begon meteen peentjes te transpireren. Op een gegeven moment begon een soldaat die op de kist zat ertegenaan te schoppen. Ik hoorde Elsje ruzie met hem maken: hij zou de kist kunnen beschadigen.

Bij de wal aangekomen voelde ik hoe ik op de kade werd gekwakt. Daar moest ik een tijdje wachten, want Elsje liet eerst een berrie (draagbaar) komen waarmee de schipper en zijn zoon de kist naar de winkel van Daatselaaer zouden brengen. Onderweg voelde ik plotseling kriebel in mijn neus. In mijn mouw heb ik zachtjes geniest. De zoon van de schipper hoorde het. Hij zei tegen zijn vader dat hij een levend wezen in de kist meende te horen. Maar weet je wat die dekselse Elsje zei? ‘Ja duh, boeken hebben geest en leven!’

En zo zit ik hier dan te wachten hoe het verder gaat. Meneer en mevrouw Daatselaer hebben bedacht hoe ik veilig naar de overkant kan komen met behulp van hun lutherse vrienden. Ik heb veel bewondering voor hun schranderheid en hun moed, want als lutheranen worden zij door de dominees van het streng calvinistische Gorinchem net zo fel bestreden als de remonstranten die door de Synode van Dordrecht en Prins Maurits naar Waalwijk zijn verbannen. Daar hoop ik later vandaag te worden opgevangen.

 

Hugo

 

Loevestein, maandag 22 maart 1621, 9:00 uur.

Het is zo ver. Ik bevind me nu in de kist. Vanochtend ben ik op tijd opgestaan. Ik heb wat gegeten en gedronken. Niet teveel, want in de kist heb ik geen toilet.

Ik lig op mijn zij. Het Nieuwe Testament van Erpenius en een beetje gesponnen wol dienen als hoofdkussen. Het is hier aardedonker. Er komt een spleetje licht binnen door de kier van de deksel en het sleutelgat. De kist staat nog in mijn kamer. Zo meteen komen de soldaten de kist halen. Ik ben erop voorbereid dat ik dan door elkaar word geschud. Rondom mijn hoofd heeft Maria met boeken een soort van stootblokken gemaakt.

Elsje gaat straks mee op de boot om te zorgen dat alles goed gaat. Zij heeft de sleutel van de kist, en zij zal met aanwijzingen aan de soldaten proberen de kist, maar voor al mij ongeschonden naar de overkant te laten brengen. Als de kist veilig op de boot staat zal zij vanaf de Merwede met een doek wuiven naar het kasteel ten teken voor Maria dat alles volgens plan verloopt.

Welverdikkeme, het begint nu al benauwd te worden.

Stil, daar hoor ik de soldaten de trap op komen.

 

Tot later,

Hugo

 

Loevestein, zondag 21 maart 1621, 20:30 uur.

Hoe het bij jullie in 2021 is weet ik niet, maar het hic et nunc waarin ik mij bevind bestaat uit een sombere avond in een kille gevangenis. Zoals ik de afgelopen maanden trouwens talloze sombere avonden in deze kille gevangenis heb meegemaakt. Gelukkig heb ik mijn lieve vrouw Maria aan mijn zijde, die me de voorbije dagen grondig heeft voorbereid op het avontuur waartoe ze me heeft verleid: ontsnappen in de kist waar normaliter de boeken in worden vervoerd, die mijn vriend professor Erpenius mij toestuurt. Ik heb uren van haar moeten doorbrengen in de kist om te testen of het plan haalbaar is.

Van de redactie heb ik begrepen, dat jullie vierhonderd jaar later, nog altijd alles van het verhaal van de kist weten, dus ik zal hier verder niet teveel woorden aan vuil maken, maar laat ik wel dit zeggen: het is echt krap. Ik lig helemaal opgevouwen in mijn onderbroek en zonder schoenen, anders past het niet, liever gezegd anders pas ik niet.

Een mens is niet geschikt om in een boekenkist te worden vervoerd, maar ik moet toegeven dat het juist daarom  misschien wel een heel slim idee was van mijn lieve Maria om mij op deze wijze het pand uit te smokkelen: die domme soldaten van Maurits komen natuurlijk niet op het idee dat ze mij straks naar buiten dragen. Lache… (Hier stond in het Latijn ‘ridere!’ We zijn zo vrij geweest dat in hedendaagse spreektaal om te zetten – red.)

Ik heb veel moeten oefenen om in de kist geen geluid te maken en niet te bewegen. Dat lukt inmiddels aardig, maar toch ben ik doodsbang dat ik morgen tijdens de overtocht over de Merwede moet niesen of – erger – een luide flatus moet laten. Misschien verbaast het jullie dat ik zulke elementaire zorgen heb, maar weet wel: ook het lijf van een genie doet wat het doet.

Het is de bedoeling dat ik aan de overkant in Gorinchem bij de familie Daatselaer, waar de kist altijd heen gaat, pas uit mijn benarde positie word bevrijd. Dan word ik vermomd en moet ik weer weer de rivier oversteken om met een helper door het Land van Altena naar Waalwijk te lopen, dat in rooms gebied ligt.

Twee keer de Merwede oversteken lijkt misschien omslachtig, maar dat heeft een dubbele reden: (primo) de kist gaat nu eenmaal altijd naar Gorinchem, dus nu ook, en (secundo) tussen Loevestein en het Land van Altena loopt een zijrivier van de Merwede, de Maas, dus oversteken moet ik toch.

Aangezien ik een gelovig man ben, ga ik nu in mijn avondgebedje steun afsmeken bij de Allerhoogste, en daarna ga ik proberen te slaap te vatten.

 

Hugo

Post Scriptum: Ik knijp hem als een ouwe dief. Duimen jullie voor me?

21 maart 2021
hugodegroo
Uncategorized